Essay Architectuurtheorie – Berlage’s Amsterdam

Geschreven voor het vak Architectuurtheorie 1
Onderzoek naar centrale ideeën van Rowe en Koetter in “Collage city”
Keuzevak Architectuur Jaar 1

Download hier het volledige essay als PDF: Berlage’sAmsterdam_doorClaireLaudij_jan2012

Inleiding

Dit essay is onderdeel van de afronding van het vak 7X886 Architectuurtheorie 1. Tijdens dit vak zijn aan de hand van negen onderzoeksvragen twee belangrijke theorieboeken uit de architectuur besproken. Dat was enerzijds het manifest van Monesteroli en anderzijds een verhandeling van Rowe en Koetter.

Ikzelf heb mij deze afgelopen weken toegelegd op het tweede boek, Collage City. Rowe en Koetter bespreken hierin de herkomst, ideologieën en tekortkomingen van de moderne stad. De onderzoeksvraag die ik met mijn groep behandeld heb is onderzoeksvraag 1:

Le Corbusier’s ideeën over een architectuur van absolute zuiverheid, geplaatst in de natuur alsof zij zweeft, werden vooraf gegaan door een stadsconcept waarbij de verdeling tussen privé en publiek werd gemaakt door duidelijk afgebakende straten en façades. Het werd [door Rowe] beschouwd als een “stervend idee”.

Colin Rowe schrijft over dit stervende idee ergens in het midden van zijn boek, in het hoofdstuk Crisis of the Object: Predicament of Texture. Hij vergelijkt daartoe de traditionele stad, gerepresenteerd door het Parijs van Haussmann, met de moderne stad, die hij terugziet in Berlage’s Amsterdam Zuid. De traditionele stad werd gekenmerkt door visueel georiënteerde architecten, voor wie publieke ruimte belangrijker was dan de manier waarop achter de façades werd geleefd. In de moderne stad, die zich aan het begin van de twintigste eeuw begon te ontwikkelen, werd hygiëne een belangrijk aspect van het ontwerp. De publieke ruimte was daarin meer een gevolg van hoe de huizen ontworpen waren. De verhouding ten opzichte van de traditionele stad tussen gebouwde en lege ruimte was dus omgekeerd. De opbouw van de stad was veranderd van een “optelling van ruimtes” in een stad waar de focus lag op objecten.

Over Haussmann’s plan voor Parijs schrijft Rowe dat het plan, ondanks de bezwaren die ook aan de uitgangspunten van een traditionele stad kleven, voor die tijd een goed plan was. Het was voor die context juist, omdat in de bourgeousie cultuur van het negentiende eeuwse Parijs uiterlijke schoonheid belangrijker was dan comfort, en dat gold ook voor huizen en hun façades. Maar het lijkt erop alsof Rowe het plan van Berlage in dezelfde context als het plan van Parijs probeert te zien, terwijl de cultuur en de tijdgeest van beide plannen op essentiële punten verschillen. Berlage’s plan is volgens Rowe “beschamend” en het kan niet tippen aan het klassieke Parijs. Hij krijgt het niet voor elkaar een echte goede moderne stad neer te zetten, aldus Rowe.

Maar gek genoeg, als Rowe in zijn hoofdstuk toekomt aan de conclusie van zijn verhaal, dan lijkt het erop alsof Rowe eigenlijk propageert wat Berlage gedaan heeft: toepassen uit het verleden wat geschikt is voor het stadsplan en dat aanpassen aan hedendaagse eisen en wensen. In dit essay wil ik ingaan op de opvattingen die aan Berlage’s plan voor Amsterdam Zuid ten grondslag hebben gelegen om zo te laten zien dat hij niet een moderne stad heeft ontworpen in de nauwe betekenis van het woord, maar dat hij daarentegen een afgewogen combinatie heeft gemaakt tussen verschillende historische theorieën en stijlen, en daarmee dus eigenlijk precies doet wat Rowe verkondigt.

Berlage’s Amsterdam Zuid

Rowe noemt Berlage’s Amsterdam Zuid een plan voor een moderne stad. En die moderne stad heeft volgens Rowe nogal wat problemen. Omdat een moderne stad, in tegenstelling tot de traditionele stad, gebouwd is rondom objecten in plaats van rondom textuur, mist het de inkadering die de traditionele stad wel heeft. Door het gebrek aan wat Rowe noemt “het bewustzijn van het veld” kunnen de objecten niet goed gelezen en begrepen worden. De moderne stad is een stad van “continue leegte”, aldus Rowe.

Maar als men kijkt naar het daadwerkelijke plan voor Amsterdam Zuid, waarvan de plattegrond hieronder is afgebeeld en perspectieftekeningen in dit essay zijn toegevoegd, dan is er eigenlijk weinig leegte te zien. Straten en pleinen zijn afgebakend en er zijn weinig objecten die alleenstaand in de ruimte staan. Het eerste plan voor Amsterdam Zuid had bijvoorbeeld veel meer leegte rondom de woningen. Eigenlijk lijkt het plan voor Amsterdam Zuid dus helemaal niet op een plan voor een typische moderne stad.

Schets van het plan van Berlage voor Amsterdam Zuid

Afbeelding 1: Schets van het plan van Berlage voor Amsterdam Zuid

Berlage gebruikte voor het plan Amsterdam Zuid juist verschillende ideeën uit het verleden om een krachtig ontwerp te kunnen maken. Zeker nadat zijn eerste plan voor Amsterdam Zuid kritiek had gekregen door het onberedeneerbare gebruik van twee theorieboeken, heeft hij ervoor gezorgd dat hij voor zijn tweede plan de geschiedenis en opvattingen goed naast elkaar gebruikte.

De verschillende personen en ideeën die ten grondslag hebben gelegen aan zijn tweede plan voor Amsterdam Zuid zullen in de hieropvolgende alinea’s worden besproken.

Eén van de eerste namen die genoemd moet worden, wanneer gekeken wordt naar de inspiratoren van Berlage, is A.E. Brinckmann. In het essay van Vincent van Rossem in Polano’s boek Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk wordt hij op de eerste pagina al genoemd. Brinckmann heeft in de eerste plaats niet zozeer Berlage geïnspireerd, als wel hem bevestigd in de ideeën die hij al had. Zo had Berlage al in 1893 zijn revolutionaire ideeën over stedenbouw uitgesproken in zijn lezing Bouwkunst en Impressionisme. Maar pas in het eerste decennium van de twintigste eeuw worden zijn ideeën gehoord en niet in de minste plaats omdat hij in Brinckmann een medestander vond.

Na het falen van Berlage’s eerste plan voor Amsterdam Zuid was hij de geschiedenis ingedoken op zoek naar beter referentiemateriaal. Hij analyseerde wat hij ontdekte om zo tot een theorie te komen over stedenbouw. Hij kwam eigenlijk weer terug op zijn eerder besproken thema’s uit Bouwkunst en Impressionisme, maar nu werd dat door goede theorie op een logische wijze onderbouwd. In 1908, wanneer Berlage een Duitse versie van Stedenbouw in Duitsland ten gehore wil brengen, komt hij Brinckmann’s Platz und Monument tegen, waarin die net als hem pleit voor een geometrisch stadsplan, oftewel een stadsplan uit de barok.

De barok was een stijlperiode waar Berlage al eerder mee in aanraking was gekomen. Direct na zijn studie in Zurich is Berlage gaan reizen. Hij verbleef één jaar in Italië. Pieter Singelenberg schreef zijn proefschrift over Berlage’s opvattingen en ideeën en hij beschrijft hoe Berlage in Rome de barokstijl tegenkomt en deze waardeert, want volgens Berlage geldt: “de barok is vrij en kan daardoor alles [zijn]” .

Het toepassen van het barokke stadsplan was een belangrijk uitgangspunt voor Berlage’s tweede plan Amsterdam Zuid. De wijdruimigheid van de barokke stadsplannen zag Berlage als een ideale manier om het opkomende verkeer in de moderne stad te accommoderen. Dat was volgens hem namelijk de belangrijkste eis van de moderne stad; dat er ruimte zou komen voor verkeer. Want auto’s en openbaar vervoer waren een werkelijkheid waar rekening mee gehouden moest worden. Bovendien zouden grotere ruimtes ook een gunstig effect hebben op de hygiëne, dat ten tijde van het plan een belangrijk ontwerpaspect was.

Het barokke stadsplan was dus volgens Berlage goed bruikbaar in zijn stadsplan, “praktisch zowel als ten opzichte der schoonheid”. Over het toepassen van een dergelijke historische stijlperiode schreef hij dat het begrip ervan hetzelfde blijft, maar de vorm verandert, omdat er andere eisen zijn. Maar het geometrische stadsplan kon volgens Berlage, hierbij gesteund door Stübben, regelmaat scheppen in de “verwarring van denkbeelden” en in de maatschappelijke verhoudingen die het begin van de twintigste eeuw typeerden.

Een andere architect (en tevens architectuurcriticus) waar Berlage door geïnspireerd raakte was Viollet le Duc. Berlage las diens boek Entretiens sur l’architecture toen hij op zoek was naar een ontwerpmethodiek voor zijn ideeën over geometrie en orde. Degene die in één adem genoemd kan worden met Viollet le Duc is Gottfried Semper, die zei: “Het kunstwerk is evenals de natuur gebonden aan wetten”. Die wetmatigheden berustten volgens hem op zogenoemde grondmaten.

De bouwkunst diende volgens Berlage net als Semper gebaseerd te zijn op enkele grondvormen, die door het combineren ervan vele variaties mogelijk maakten. Ooit was alle bouwkunst hierop gebaseerd, maar toen de bouwkunst autonome vormen aan begon te nemen ging de eenheid van de kunst verloren. En met die eenheid verdween ook de rust, aldus Berlage. En rust was nu juist de hoogste kwaliteit voor stijl volgens hem en dus essentieel in de bouwkunst. Om tot die stijl te komen was een bepaalde ordening nodig, door middel van een geometrisch systeem en zo zijn we weer terug bij wat Viollet le Duc Berlage kon bieden.

Berlage las het boek van Viollet le Duc en vond een geschikt ordeningsprincipe in wat Viollet le Duc “générateur de proportions” noemde, vrij vertaald “generatoren van verhoudingen”. De oorsprong daarvan lag bij de Egyptenaren (Viollet le Duc ging ervan uit dat ervaringen in de bouw eeuwen lang doorwerkten en dat men naar het begin moest voor de essentie), die volgens hem terecht de driehoek centraal stelden. Volgens Viollet le Duc konden de vorm van die “générateurs de proportion” elke generatie veranderen. De driehoek is nog duidelijk herkenbaar in Berlage’s ontwerp voor de Beurs in Amsterdam, waar een gelijkzijdige driehoek de hoogte van de Beurs bepaalt. Maar in het tweede plan voor Amsterdam Zuid is het de regelmatige veelhoek die de vorm heeft bepaald. Francis Fraenkel beschrijft in zijn dissertatie dat Berlage niet bang was om voor verschillende ontwerpopgaven verschillende grondvormen te kiezen.

Een opvolging van schetsen van het plan voor Amsterdam Zuid onderschrijven het uitgaan van verschillende geometrische principes, zoals straten die elkaar haaks kruisen, of die onder een hoek van een plein weglopen, waardoor de monumentale gebouwen op het plein goed tot hun recht komen. In het definitieve ontwerp kunnen verschillende veelhoeken getekend worden, zoals in de afbeelding hieronder te zien is. De vogelvluchttekeningen in dit essay zijn vanuit de middelpunten getekend. In een tweede citaat in Fraenkel’s boek wordt het belang dat Berlage hechtte aan deze pleinen duidelijk: “Staat men voor het ontwerpen van een geheel nieuwe stad [zoals hij Amsterdam Zuid zag], dan voert het ontwerp onherroepelijk tot de centrale aanleg, tot het cirkelvorminge of veelhoekige plein”.

Vijfhoeken over het plan van Berlage

Afbeelding 2: Vijfhoeken over het plan van Berlage

Wanneer er over pleinen geschreven wordt dan is er gelijk een belangrijke naam die genoemd dient te worden. Camillo Sitte vond dat een stedenbouwkundig plan moest beginnen met het vaststellen van de hoofdpunten, waar de pleinen zouden komen. Verder had hij gesteld dat de schoonheid van het plein in de middeleeuwen een gevolg was van haar geslotenheid en Berlage was het hiermee eens. Maar hij stelde dat het niet per se om absolute geslotenheid hoefde te gaan. Hij pleitte daarentegen voor optische geslotenheid, een idee dat weer afkomstig was van Brinckmann. Openheid in het plan ondanks de gesloten bouwblokken was één van de krachten van Berlage’s ontwerp.

Over pleinen was er in die tijd dus veel bekend, maar voor de invulling kon Berlage niet teruggrijpen op bestaande stedenbouwkundige middelen. Bovendien moest er een nieuwe soort architectuur bedacht worden voor de goedkope woningen die op grote schaal in de moderne stad gebouwd moesten worden. Over die bebouwing was Berlage duidelijk: de bebouwing moest zijn gericht op de groepering van massa’s. Tot dan toe waren de meeste huizen nog vrijstaand geweest, maar in het nieuwe plan zou er geen plek meer zijn voor (slechts) vrijstaande huizen. Er moest een nieuwe type woning bedacht worden voor de groeiende arbeidersklasse en dat was de uitdaging van de architect van de twintigste eeuw.

Berlage kwam als antwoord hierop bij het welbekende bouwblok. Het was afkomstig uit de tuinstadgedachte, waarbij woningen om hofjes werden gebouwd. Alleen was de schaal van deze woningen in het plan van Berlage groter. De manier waarop Berlage bij zijn ontwerp aan de samenstelling van de maatschappij heeft gedacht typeert hem erg. Berlage heeft zich vanaf het begin van zijn carrière erg geïnteresseerd getoond in de manier waarop mensen leven. In Italïe schetste hij naast de prachtige gebouwen in de steden, ook beelden van hoe de verschillende klassen leefden, wat de leefomstandigheden waren en hoe de mensen in de samenleving met elkaar omgingen. Het denken aan de arbeidersklasse paste bovendien goed bij het politieke klimaat van de tijd.

De sociale-democratische overheid begreep dat de leefomstandigheden van de negentiende eeuw alles behalve gunstig waren. In 1901 werd daarom de Woningwet opgesteld en werden woningbouwverenigingen aan strengere eisen onderworpen. De woningen na 1905 en vooral de woningen in het plan Amsterdam Zuid waren kwalitatief beter. De woningbouwverenigingen hebben het plan Amsterdam Zuid goed kunnen gebruiken om te laten zien dat ze verbeteringen hadden doorgevoerd.

Afbeelding 3: Vogelvluchtperspectief van het plan op de as station-academie

Afbeelding 3: Vogelvluchtperspectief van het plan op de as station-academie

Het bouwblok is dus een succes gebleken. Maar voordat het bouwblok door iedereen geaccepteerd werd heeft het nog wel een weg moeten gaan. Vooral de arbeidersklasse die er moest gaan wonen was erg bang voor identieke, karakterloze huizen. Het woonblok was ook door Karl Sheffer gepropageerd aan het begin van de twintigste eeuw, maar het was Brinckmann die de acceptatie van het bouwblok definitief voor elkaar kreeg.

Van Karl Sheffer’s Konvention der Kunst neemt Berlage nog een ander belangrijk punt over in zijn stijltheorie over stedenbouwkundige plannen. Scheffer stelde dat voor de bouwkunst een gemeenschappelijk idee, collectieve stijl nodig is. Berlage heeft deze mening vrijwel één op één overgenomen. Voorwaarde voor die nieuwe stijl was volgens Berlage in de moderne stad gelijkheid voor iedereen. Met deze stellingname kon Berlage zijn keuze voor het bouwblok beargumenteren.

Van deze focus op de arbeidersklasse komt ook Berlage’s “eerlijke” gebruik van materialen. In Singelenberg’s boek wordt geschreven dat Berlage eerlijk gebruik van materialen als een voorwaarde zag voor de verlichting van de arbeidersklasse. Uit Viollet le Duc’s Entretiens de l’Architecture is ook de wens te herkennen om onnodige zaken in de façade te vermijden. Viollet le Duc was een felle tegenstander van façadearchitectuur. In lijn daarmee zei Berlage dat de façade gezien en gewaardeerd moesten worden in haar meest kale en elementaire vorm. Met de keuze voor de voor Amsterdam zo kenmerkende baksteenmuur valideert Berlage zijn standpunten. Niet alleen is een baksteenmuur constructief eerlijk, de baksteen zelf vormt de schoonheid van de façade.

Afbeelding 4: Vogelvluchtperspectief van het plan op de as brugmonumentaal gebouw

Afbeelding 4: Vogelvluchtperspectief van het plan op de as brug-monumentaal gebouw

Maar bouwblokken waren niet de enige uitdagingen van het plan Amsterdam Zuid. Berlage zag ook flinke uitdagingen in de grote monumentale gebouwen van de twintigste eeuw. Dat waren volgens hem geen religieuze gebouwen meer, maar gebouwen met moderne functies: stations, academies, fabrieken, enzovoorts. Deze gebouwen vonden zich doorgaans aan de monumentale pleinen die Berlage ontwierp en zij vroegen dan ook om een nieuwe monumentale stijl. Hierin lag nog een belangrijke uitdaging voor de twintigste eeuwse architect.

Aan het eind van het eerste decennium van de twintigste eeuw, wanneer Berlage voldoende om zich heen heeft gekeken naar relevante historische stijlmiddelen, bundelt hij zijn theorieën in een lezing Stedenbouw genaamd. Hiermee koppelt hij zijn bevindingen wederom aan de politiek en de cultuur van zijn tijd. Hij parafraseert Sitte als hij zegt dat de moderne stedenbouw erop gericht moet zijn om middelen te vinden om de wijdruimigheid te beheersen. Er zou een nieuw “gevoel voor ruimte” ontstaan, aldus Stübben, en die nieuwe beleving moest gefaciliteerd worden. Door het toepassen van de barokke stedenbouwkundige ideeën kon hiervoor een integraal plan bedacht worden. Want de barokke plannen gaan niet uit van een raster, maar van een allesomvattend idee over orde. De stedelijke ruimte is “doorlopend en consistent”. Hiermee neemt Berlage duidelijk afstand van de negentiende eeuwse Stübben, die de stedelijke ruimte slechts als een optelsom van delen zag.

Door deze bevindingen bewijst Berlage dat hij zeer wel besefte wat de moderne tijd van hem vroeg. Hij begreep dat men zich rond een overgang bevond en dat nieuwe eisen werden gesteld aan de moderne stad. Maar in tegenstelling tot wat Rowe hem verwijt, weet Berlage op gegronde wijze theorieën uit het verleden toe te passen om tot een evenwichtig ontwerp te komen. Zo zijn er in deze alinea’s een hoop denkbeelden behandeld die ten grondslag hebben gelegen aan Berlage’s plan. In dit laatste deel van het essay wil ik kijken naar de opmerkingen van Rowe over Berlage en waarom ze gezien de feiten die in de alinea’s hiervoor besproken zijn niet lijken te kloppen.

Rowe was geen fan van de moderne stad. Maar hij begreep dat de traditionele stad zou verdwijnen en dat er dan iets nieuws voor in de plaats zou komen. Maar de moderne stad was (in elk geval in de jaren zeventig, toen Rowe zijn boek schreef) volgens hem nooit helemaal ten bloei gekomen. En gelukkig maar, want zo kon de lege moderne stad nog profiteren van de heldere textuur van de klassieke stad, aldus Rowe. Eigenlijk wil Rowe dus niet dat we toegaan naar een modernistische samenleving. In plaats daarvan pleit hij voor een combinatie van de twee modellen, van het model van de traditionele stad en van de moderne stad, en het toepassen van verschillende ontwerpstrategieën.

In de afgelopen alinea’s is gebleken dat dat eigenlijk precies is wat Berlage doet voor zijn plan Amsterdam Zuid. Hij heeft van verschillende stijlperiodes de aspecten gekozen waar hij iets mee kon, dat wil zeggen: de aspecten die in de te ontwerpen stad krachtig zouden zijn omdat ze een kwaliteit hebben die ook in de nieuwe toepassing tot uiting zou komen. En hij kiest de referenties niet zomaar; die fout had hij in het eerste plan voor Amsterdam Zuid al gemaakt. Het barokke stadsplan kiest hij omdat de wijdruimigheid ervan in de tijd van opkomend verkeer en betere hygiëne goed toepasbaar is. Hij combineert ideeën van Sitte over pleinen met Brinckmann’s ideeën over optische geslotenheid. Bovendien gebruikt Berlage deze middelen om zijn stad ook politiek kracht bij te zetten. Hij houdt rekening met een realiteit van een opkomende arbeidersklasse, incorporeert de verbeterde woningbouwverenigingen en past stijlmiddelen toe om deze arbeidersklasse een goede leefomgeving te bieden. Dus eigenlijk doet Berlage exact wat Rowe aanmoedigt. Volgens Fraenkel is het Berlage’s kracht om bestaande gebouwen in zijn plan op te nemen en te reageren op de gegevenheden van de bestaande stad.

Afbeelding 5: Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 1935

Afbeelding 5: Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam 1935

Ter illustratie is op hierboven een afbeelding van het Algemene Uitbreidinigsplan (AUP) voor Amsterdam uit 1935 weergegeven. Dit plan was afkomstig van Cornelis van Eesteren en Theo K. van Lohuizen en dit was wel een modern plan. In dit plan is wel duidelijk leegte te zien en een gerichtheid op objecten. Het was een modern plan, waarin veel ideeën van CIAM zijn geïncorporeerd. Het CIAM (Congrès International d’Architecture Moderne) werd in 1928 opgericht. Het werd na oprichting bezegeld met het opstellen van een manifest waarin vermeld stond dat architectuur geen esthetische handeling was, maar een sociale en economische. Dit lag uiteraard geheel in lijn met Berlage’s denkbeelden en hij ondertekende dit manifest dan ook. Maar dit was wel ruim tien jaar nadat Berlage zijn plan voor Amsterdam Zuid gemaakt had. Het modernisme is eigenlijk pas na Berlage’s beroemde plan volledig tot uiting gekomen. Ook het AUP was, net als het plan van Berlage, gebaseerd op het  inspelen op de bevolkingsgroei, het wisselende verkeer en rekening houdend met toekomstige behoeften aan voorzieningen en woningen. Maar in de invulling is het plan anders dan het plan van Berlage. Het AUP was een functioneel plan met een ruime opzet in een groene omgeving. De strookbebouwing lijkt zelfs een directe aanval op Berlage’s grote woonblokken, want zij waren bedoeld om “eindelozen dorre opeenvolging van gelijkgerichte huizenrijen” te voorkomen.

Hierin is veel duidelijker de moderne stad te zien waar Rowe tegen ageert. Grote delen groen zijn in de afbeelding hieronder te zien. De stad van “continue leegte” slaat veel meer op dit plan dan op het plan van Berlage voor Amsterdam Zuid.

Conclusie

In dit essay ben ik ingegaan op de opvattingen die aan Berlage’s plan voor Amsterdam Zuid ten grondslag hebben gelegen. Op deze manier heb ik geprobeerd te laten zien dat wat hij ontworpen heeft, eigenlijk helemaal niet zo erg leek op de lege moderne stad die Rowe in zijn boek schetst.

Daarentegen heeft hij in de jaren voorafgaand aan zijn tweede plan voor Amsterdam Zuid grondig onderzoek gedaan naar de historie van de stedenbouw en hieruit een beargumenteerde stijltheorie ontwikkeld die in de tijd dat het plan ontworpen is zeer goed toepasbaar bleek. Berlage heeft de eisen die het begin van de twintigste eeuw aan zijn plan stelden goed voor ogen gehad en geprobeerd binnen die eisen een integraal, allesomvattend plan te maken, gebaseerd op het barokke stadsplan.

Belangrijke onderdelen van zijn plan waren het monumentale plein, brede straten en bouwblokken rondom een groen hofje. Het resultaat is een plan vol waardevolle combinaties van estethische middelen, allemaal binnen dat wijdruimige kader van de barok. De moderne stad, die Rowe beschrijft als een stad van “continue leegte” met een focus op objecten is totaal niet te herkennen in de plattegrond van Berlage’s ontwerp. Zoals we dus al eerder stelden in onze presentatie, heeft Rowe bij het bekritiseren van Berlage’s plan de context van dat plan genegeerd en hierdoor heeft hij de kracht van het ontwerp van Berlage voor die tijd helaas volledig gemist.

Bronvermelding

Fraenkel, Francis F., 1976, Het plan Amsterdam-Zuid van H.P. Berlage, Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht [proefschrift]

Gaillard, Karin, 1992, Berlage en Amsterdam Zuid, Amsterdam: Gemeentearchief Amsterdam

Rossem, Vincent van, Berlage: beschouwingen over stedebouw 1892-1914, in: Sergio Polano, 1989, Hendrik Petrus Berlage. Het complete werk, Alphen aan den Rijn: Atrium

Rowe, Colin & Koetter, Fred, 1983, Collage City, Cambridge: Massachusetts Institute of Technology, 1e editie 1978

Singelenberg, Pieter, 1971, H.P. Berlage: idea and style: the quest for modern architecture, Utrecht: Haentjes Dekker & Gumbert [proefschrift]

http://www.architectenweb.nl/aweb/archipedia/archipedia.asp?ID=18585
Laatst bekeken: 19 januari 2012

Afbeeldingen afkomstig van

Afbeelding 1 Fraenkel, 1976, p. 53

Afbeelding 2 Fraenkel, 1976, p. 50

Afbeelding 3 Fraenkel, 1976, p. 47

Afbeelding 4 Fraenkel, 1976, p. 48

Afbeelding 5 via http://www.architectenweb.nl/aweb/archipedia/archipedia.asp?ID=18585

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s