Essay Filosofie – Iconen

Geschreven voor het vak Filosofie in architectuur
Onderzoekend essay met vrije onderwerpkeuze
Verplicht vak Architectuur Masterjaar 1

Download hier het volledige essay als PDF: Iconen_doorClaireLaudij_dec2011

Inleiding

De eerste indruk die je als kind van architectuur krijgt wordt bepaald door iconische gebouwen. Het is vaak niet je eigen huis dat je als architectuur bestempelt. Het zijn die herkenbare gebouwen, waarover tegen je gezegd wordt “Kijk, dat is nou de Reichstag”. Dat zijn de gebouwen die je onthoudt. De Eiffeltoren hoort bij Parijs en het Vrijheidsbeeld bij New York.

Misschien zijn dat ook wel het soort gebouwen dat ervoor zorgt dat mensen architectuur gaan studeren. Ik weet in elk geval dat mijn interesse in architectuur weer gewekt was na het zien van de “Gherkin” van Norman Foster
toen ik zestien was. Ik had wel al acht jaar lang op de basisschool geroepen dat ik architect wilde worden.
Maar pas toen ik dat gebouw zag, ben ik serieus gaan nadenken over de studie bouwkunde.

Dit essay gaat over die iconen in de architectuur. Die gebouwen die uiterst herkenbaar zijn, heftige emoties oproepen en veel betekenen voor de plaats waar ze staan. De belangrijkste aanleiding van het schrijven van
dit essay was een artikel uit het architectuurtijdschrift A10 over een prijsvraag voor een “icoon” in Dundee, Schotland. Ik vond dat die prijsvraag iets tegenstrijdigs had. Gevoelsmatig leek het mij onmogelijk om van tevoren te bepalen dat een gebouw iconisch ging worden. Hoe weet je zeker dat het die impact gaat hebben dat  het door de mensen een icoon genoemd gaat worden? Mij leek dat iets dat de gebruikers zelf bepalen.

Ik begon deze zoektocht naar het antwoord op die vraag met de veronderstelling dat gebouwen niet op voorhand iconisch genoemd kunnen worden. Er zijn veel boeken geschreven over iconen, maar de auteurs komen vaak niet verder dan een oppervlakkige beschrijving van het gebouw. Er worden geen redenen genoemd voor deze iconische status. Ik dacht dus dat het inderdaad moeilijk was om die eigenschappen te definiëren.

Boek The Iconic Building van Charles Jencks

Boek The Iconic Building van Charles Jencks

Ik ging ervan uit dat er geen boek was dat mij van het tegendeel zou kunnen bewijzen, tot ik het boek “The
Iconic Building” van Charles Jencks onder ogen kreeg. De titel en samenvatting maakten mij enthousiast genoeg om het boek te bestellen. Charles Jencks behandelt vele voorbeelden van iconische gebouwen, en
vertelt daarbij daadwerkelijk hoe je goede van slechte iconen kunt onderscheiden. Deze criticus staat recht tegenover mijn mening en rationaliseert de iconische status enorm. Zijn boek heeft mij laten in ien dat het
bepalen van goede iconen weliswaar mogelijk is, maar dat de uitkomst een (wankel) evenwicht is tussen
de publieke mening en het juiste gebruik van symbolen. Dit essay zal de zoektocht naar dit antwoord verwoorden aan de hand van Jencks’s theorie, aangevuld met eigen argumenten en conclusies.

Iconen

Wat voor mij als een verrassing kwam in mijn onderzoek naar het ontwerpen van iconische gebouwen, is
dat het bestaan van iconen niet zozeer een apart type gebouw omvat als wel een compleet nieuwe stroming
is, aldus Jencks. Er is een sociale kracht actief geworden die belang hecht aan onmiddellijke roem en economische groei, zoals de vele talentenjachten op tv blijk van zijn. Ook binnen de architectuur is die kracht zichtbaar en dit uit zich dus in de komst van de iconische gebouwen als vervanging van het architectonische monument.

Dat aan de monumenten in de oude zin van het woord geen waarde meer werd gehecht was een gevolg van
het afbrokkelen van de oude sociale conventies en hiërarchieën. Gebouwen kenden een bepaalde rangorde.
Gebouwen met de belangrijkste functies, zoals het stadshuis en de kathedraal, kenden qua architectuur de
meest uitgesproken monumentale vormen. Vaak waren deze gebouwen ook het grootst en zetten zij zich
duidelijk af tegen de omliggende, minder belangrijke gebouwen. Religie en fatsoen stonden hoog in het
vaandel. Maar toen die oude conventies verdwenen en de mens vrijer werd in haar opvattingen ontstond er
een crisis over de betekenis van die gebouwen. Terwijl gebouwen eerst refereerden aan een bepaalde heilige of andere gedeelde waarden, valideren iconische gebouwen zichzelf. Zo hebben iconische gebouwen
de veranderingen opgepikt en ingespeeld op de veranderende tijden. Maar als er geen gedeelde waardes
meer zijn, hoe wordt een iconisch gebouw dan beoordeeld?

Een nieuwe stroming

Daarvoor dient eerst teruggegaan te worden naar de opkomst van iconische gebouwen als stroming. Als het gaat om het precieze startpunt van de stroming, dan bestaat daar in het boek van Jencks wat verwarring over. In zijn introductie schrijft Jencks dat de stroming van iconen slechts tien jaar geleden begon. Even later noemt hij echter het kerkje in  Ronchamp van Le Corbusier uit de jaren vijftig als het eerste moderne icoon, dat als voorbeeld heeft gediend voor alle nieuwere iconen. Frank Gehry, zelf architect van een van de eerste iconische gebouwen, het Guggenheim Museum in Bilbao, en geïnterviewd in het boek, noemt als Amerikaans staatsburger het AT&T Building in New York als eerste icoon. Dat gebouw is pas eind jaren zeventig ontworpen. Maar ook dat antwoord is niet eenduidig, want even later bekent Gehry dat ze hem voor Bilbao vroegen een gebouw te ontwerpen dat voor het Baskenland zou doen wat het Sydney Opera House voor Australië had gedaan. Volgens Gehry is het Sydney Opera House desondanks niet het eerste icoon, aangezien er vele economische en politieke problemen rond dat ontwerp ontstonden en het niet zo breed gewaardeerd werd als het AT&T Building destijds. Jencks beargumenteert in tegenstelling hierop enkele hoofdstukken later dat juist zo’n controverse een grote rol speelt in het iconisch worden van gebouwen.

Le Corbusier's kerk in Ronchamp

Le Corbusier’s kerk in Ronchamp

Over de opkomst van iconische gebouwen bestaat dus geen  eenduidigheid; de meningsverschillen hierover zijn veelal cultureel bepaald, zo als het antwoord van Gehry ook laat zien. Wat volgens mij het verschil maakt tussen de iconen uit de jaren vijftig tot zeventig en de iconen uit de laatste tien jaar is dat iconen nu ontworpen worden, puur om iconisch te zijn. Opdrachtgevers hebben inmiddels door wat voor impact een icoon heeft en dat willen ze ook voor hun project. Je komt er bijna niet meer mee weg om geen icoon te ontwerpen.

Ik denk dat dat is wat Jencks bedoelt met het type iconen van het laatste decennium. Ronchamp is nooit ontworpen met het doel om iconisch te zijn. Bij Ronchamp speelden andere overwegingen een rol, maar door Le Corbusier’s kunde werd het een icoon. Een onbedoeld icoon dus. Iconische gebouwen hebben vele metaforen, zowel door de architect bedoeld als onbedoeld.

AT&T Building van Philip Johnson in New York

AT&T Building van Philip Johnson in New York

Bij het AT&T Building zat daar al verandering in. Ik denk dat het wel de bedoeling is geweest een gebouw te ontwerpen met een bepaalde status, zoals Gehry ook aangeeft. Maar wat bij dat gebouw weer interessant is, is dat het wel ontworpen is als icoon, maar die het die status eigenlijk nooit waar heeft kunnen maken. Ik moest in elk geval weer opzoeken hoe het gebouw er ook alweer uitzag. Bij echte iconen had dat niet gehoeven.

Als het gaat om een werkelijk icoon uit de laatste tien jaar, dan is Koolhaas’ ontwerp voor China Central  Television zeker een van de eerste gebouwen waar je aan denkt. CCTV is het hoofdkantoor van de Chinese televisie en daarmee een van de belangrijkste gebouwen van het Nieuwe China. Het staat symbool voor de economische groei die het land sinds de jaren tachtig en negentig doormaakte, tot het de grootmacht werd die het nu is. Koolhaas werd gevraagd een nieuw “baken” te ontwerpen voor Peking. Een nieuw gebouw dat  duidelijk dezelfde kracht zou moeten hebben als bijvoorbeeld een Guggenheim Museum in Bilbao. Een icoon was dus de opdracht.

CCTV Building van Rem Koolhaas in Beijing

CCTV Building van Rem Koolhaas in Beijing

Raadselachtige betekenisgevers

Er zijn dus drie soorten iconische gebouwen. Onbedoelde iconen zoals de kerk in Ronchamp, bedoelde iconen  die het niet waar gemaakt hebben zoals het AT&T Building in New York en iconen die echt gelukt zijn zoals CCTV in Peking. Zoals ik al schreef, is volgens Jencks te benoemen waarom het ene gebouw wel als icoon werkt en het andere niet. Voor mijn vraag of iconen op voorhand ontworpen kunnen worden is dat het kritische element. Hij noemt als onderscheidende eigenschap het gebouw als “enigmatic signifier”, wat vrij vertaald zoiets als “raadselachtige betekenisgever” betekent. Het wordt geuit door vormen en symbolen waaraan mensen zelf een betekenis kunnen geven. Critici, gebruikers en het publiek vullen zo zelf de symbolen in met “concepten, uitdrukkingen en vergelijkingen” die zij kennen.

Jencks onderbouwt de kracht van deze raadselachtige betekenisgevers met vele voorbeelden en argumenten in zijn boek. Al die voorbeelden ondersteunen de invloed van de raadselachtige betekenisgevers. Hoe zijn die (of het gebrek daaraan) in de drie genoemde gebouwen terug te zien?

Voor Ronchamp heeft Le Corbusier teruggegrepen op zijn eerdere werk. Hij heeft dit omgezet in nieuwe vormen zoals de vormen van oren, die op verschillende plekken in het kerkje terug te vinden zijn. Het was zo’n unieke vormentaal dat er direct door de pers over werd geschreven. Het was voor het publiek en de critici erg wennen. Jencks noemt dat de kracht van een gebouw dat “goed genoeg is om intelligente mensen zich uitgedaagd te laten voelen”. Er ontstonden emotionele reacties en die kunnen een icoon flink kracht bij zetten. Maar hoe komt die raadselachtige betekenisgever terug in het kerkje? Naast de “oren” zijn door het dak van het gebouw verschillende metaforen te zien. Er kunnen twee biddende handen in gezien worden of een moeder met kind, een monnikenkap of een schip. Volgens Jencks zijn de sterkste metaforen die metaforen die verwijzen naar iets spiritueels of kosmisch, zoals hier dus het geval is. Bovendien refereren de beste metaforen aan de functie van het gebouw. Wat dat betreft slaat Le Corbusier de spijker dus dubbel op de kop.

Waar ging het dan mis bij het AT&T Building? Volgens Gehry was het AT&T Building ooit het eerste echte icoon vanwege het grote mediagebeuren rondom het gebouw. Zoveel aandacht voor een gebouw was uniek in die tijd. Maar door die “mediageilheid” werd het gebouw wel een icoon  voor de machtige bedrijven van Amerika. AT&T zelf was bijvoorbeeld in 1980 het grootste commerciële bedrijf van de wereld. Tel daarbij op de hooghartige vormentaal van het gebouw en de daklijn die lijkt te verwijzen naar het blazen van rookkringen met sigaren door de eigenaren van bedrijven en het symbolisme is snel duidelijk.

In tegenstelling tot Le Corbusier’s kerk zijn in dit gebouw geen dubbelzinnige symbolen gebruikt. De symboliek was duidelijk en bovendien negatief. Niet echt uitnodigend dus, want wie wil er nu elke dag herinnerd worden aan de corruptie en  commercialisering in de samenleving? Als je het zo bekijkt, had het gebouw niet veel kans. Ik vraag me af of de architect voor ogen had dat het gebouw symbool zou worden voor de commerciële praktijken. Het lijkt me niet. In elk geval niet tot op het punt dat het de iconische status zou verliezen, zoals gebeurd is. Dus als de architect daar geen directe invloed op had, dan moeten dat toch de media en het publiek wel zijn geweest die het gebouw zo neergezet hebben? In de volgende paragraaf zal ik ingaan op de rol van het publiek in het waarderen van gebouwen om dichter bij het antwoord op mijn vraag te komen. Maar eerst naar dat derde type icoon: het succesvolle icoon.

CCTV is het icoon van het Nieuwe China. In de opgave werd gevraagd om een herkenbaar baken, maar tussen wolkenkrabbers moet dat icoon wel zichtbaar blijven. Daarom ontwierp Koolhaas deze “uitzonderlijke mutant”. Volgens Jencks werkt het gebouw zo goed omdat het op een relevante manier refereert aan China en de media, terwijl het tegelijk buitengewone boventonen voert. Tegenstellingen verenigd in één gebouw is de kracht van een goed icoon. Ook in dit gebouw zijn veel metaforen te herkennen. De vorm refereert aan het pi-teken dat in China zijn oorsprong kent. En in de diagonale lijnen van de schil kun je Chinese kalligrafie zien. Refererend aan de functie van het gebouw kan men ook een tv-scherm zien, waarin de stad als beeld wordt geprojecteerd, of het gebouw als continue lus, net zoals de tv inmiddels 24 uur per dag uitzendt.

Geen van deze metaforen zijn ooit door Koolhaas zelf genoemd. Ze zijn opgepikt door de media en door het publiek. Dit soort metaforen wordt sterker, beargumenteert Jencks, wanneer het gebouw vriendelijkheid en zekerheid uitstraalt. Koolhaas heeft alle eisen succesvol weten te verenigen in zijn gebouw. Dus had Jencks dan toch gelijk? Kun je (als je een goede architect bent) de bouwstenen van je gebouw zo uitkiezen
dat je gebouw gegarandeerd een icoon wordt?

De invloed van de massa

Ik ben daar na het lezen van het boek nog steeds niet volledig van overtuigd. We zagen wel hoe de kerk in Ronchamp iconisch werd door de indirecte symbolen, het AT&T Building sloeg de plank mis vanwege de negatieve symbolen en Koolhaas heeft het subtiele gebruik van symbolen en metaforen volledig begrepen.
Maar ligt het er dan helemaal niet aan hoe het publiek het gebouw en de architect ziet? Volgens mij denkt Jencks zelf ook van wel. In zijn uiteenzetting over het nieuwe ontwerp voor Ground Zero beschrijft hij hoe het publiek de inzendingen interpreteerde en hoe in feite daaruit de winnaar gekozen werd.

Libeskind ontwerp voor New York

Libeskind ontwerp voor New York

Ground Zero is een uiterst gevoelige plek. Ook hier was de opdracht een icoon te ontwerpen, maar geen enkel ontwerp was goed genoeg voor het publiek. Het instorten van de Twin Towers heeft zo’n impact gehad, dat Ground Zero een collectief trauma werd. Daar moest het nieuwe ontwerp op kunnen inspelen. Uiteindelijk moest gekozen worden tussen Libeskind’s ontwerp en dat van het THINK team. Architecten uit New York hadden moeite met Libeskind’s gebruik van nationale symbolen in zijn ontwerp, wat zij zagen als steunbetuigingen aan de rechtse regering. Wat eerder “kristallen” torens werden genoemd zagen zij opeens als symbolen voor de oorlog. En zijn verzonken gedenkplaatsen op de funderingen van de originele Twin Towers, eerder een teken van kracht, werden klaagmuren waar de terreur van 9/11 herinnerd bleef worden. “Al- Qaida wins twice”, aldus de critici.

Maar Libeskind won uiteindelijk de wedstrijd wel, omdat onder andere de burgemeester en de gouverneur achter zijn ontwerp stonden. In de symbolenoorlog waren de twee torens van het THINK team skeletten van de gevallenen geworden en de brug hiertussen een binnenvliegend vliegtuig. Toen het eenmaal zo door critici was neergezet, konden zelfs de aanhangers er niets anders meer in zien. Elk van beide ontwerpen had vanwege negatieve suggesties kunnen vallen, besefte ook Libeskind. Het lot van Ground Zero werd bepaald door de manier waarop de mensen die dicht bij het drama stonden zijn symbolen interpreteerden.

De indirecte, open symbolen die iconen zo krachtig maken kunnen op meerdere manier gelezen worden en dat is volgens mij zowel de kracht als het risico van iconen. Het publiek kan die interpretatie flink beïnvloeden. Waarom is CCTV het icoon geworden dat het wilde zijn? Koolhaas heeft een supersterrenstatus. Laat zijn
naam vallen en je weet dat je kunt rekenen op goede architectuur. Waarom won Libeskind in New York met zijn Freedom Tower? Hij had uiteindelijk de meest persoonlijke benadering, bezocht Ground Zero en haar slachteroffers regelmatig en verwoordde zijn eigen emoties en andermans verdriet over de plek. De vier casus die hier beschreven zijn hebben laten zien dat er verschillende aspecten een rol spelen bij het verwerven van de iconische status. Met deze informatie kan nu een concluderend hoofdstuk geschreven worden waarin de onderzoeksvraag beantwoord wordt.

Conclusie

Wat Jencks in zijn boek heeft willen aantonen is dat de beste iconen de gebouwen zijn die gebruik maken van zowel directe symbolen als open symbolen, metaforen hebben die verwijzen naar natuur of spiritualiteit en bovendien naar de functie van het gebouw. Ze mogen soms best angst oproepen, dat komt de iconische status alleen maar ten goede. Het gebouw als “raadselachtige betekenisgever” dus. Dat werkte voor Ronchamp, voor CCTV en voor Libeskind’s  ontwerp.

Maar waar ik nog steeds van overtuigd ben, en waar Jencks af en toe ook een subtiele hint over geeft, is dat een risico van deze open symboliek is dat de invulling ervan wordt bepaald door het publiek en met name de media. Net zoals de grote talentenjachten zijn het de kijkers, en hier de gebruikers, die het succes bepalen. Vinden ze jou of jouw gebouw sympathiek, dan kunnen ze je een sterrenstatus geven. Maar net zo makkelijk is het voor hen om die open symboliek negatief in te vullen. Dat idee van “one day you’re in, the next day you’re out”. Het gaat niet meer alleen om de performance, zoals hier het ontwerpen van een goed gebouw, maar over het hele plaatje: mogen ze je? Architectuur is wat dat betreft wellicht nog meer ten prooi gevallen aan de ontwikkelingen in deze tijd dan al werd gedacht. De concluderende vraag is dan: kan de architect helemaal niets doen om deze invulling te beïnvloeden? Dat kan ik na het lezen van het boek ook niet meer helemaal verdedigen. En dat komt onder andere door iets dat Jencks éémaal noemt in zijn boek: voor goede iconen zijn moed en bekwaamheid nodig. Daar ligt de kern van deze zaak. Er zijn zeker componenten die je als architect in het gebouw kunt gebruiken om een echt icoon te ontwerpen. Maar al goochel je nog zo met die ingrediënten, uiteindelijk dien je wel een gebalanceerd en esthetisch geheel te ontwerpen. En daar ligt mijns inziens de invloed van een goede
architect op de beoordeling van de “raadselachtige betekenisgever”.

Bronvermelding

Voor dit essay heb ik één van de meest interessante boeken gelezen sinds ik met bouwkunde begonnen ben:
Jencks, Charles, 2005, “The Iconic Building. The Power of Enigma”, Londen: Frances Lincoln, 1st edition

Aanleiding voor dit essay was een artikel in architectuurtijdschrift A10:
Guest, Andrew, “The V&A at Dundee” in A10, #37, Amsterdam, Nederland: Boom Tijdschriften, Jan/Feb 2011, p.6

Beelden

Voorpagina The Iconic Building van Charles Jencks via http://www.amazon.com/Iconic-Building-Charles-Jencks/dp/0847827569

Ronchamp via http://www.panoramio.com/photo/2435586

AT&T Building via http://www.gflashcards.com/collections/31475-american-architecture/cards

CCTV via ideasinspiringinnovation.wordpress.com/2010/05/31/the-world%E2%80%99s-%E2%80%9Cstarchitects%E2%80%9D-and-their-work-rem%C2%A0koolhaas/

Toren Libeskind via http://daniel-libeskind.com/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s